De wereld van morgen zal er anders uitzien dan die van gisteren. Als we binnenkort eindelijk weer uit ons kot mogen, gaan we allemaal samen de handen uit de mouwen moeten steken. Om onze welvaart veilig te stellen, om ons welzijn te verzekeren, om de samenleving van de toekomst te bouwen. Eén ding is zeker: het zal geen business as usual zijn.

Maar geen business as usual, wat betekent dat? Zowat iedereen heeft het erover. Van economen, gezondheidsspecialisten en begrotingsexperten tot klimaatwetenschappers. Van invloedrijke CEO’s, werkgeversorganisaties en vakbonden tot welzijnswerkers en armoedeorganisaties. En politici, uiteraard, van links tot rechts. En - alweer uiteraard - ieder met zijn eigen ideologische insteek. De ene met nadruk op de heropstart van de economie en de bescherming van onze bedrijven, de andere focust op een unieke kans om de klimaatuitdaging tot een goed einde te brengen en nog een derde wil vooral werk maken van deftige lonen voor wie zich elke dag uit de naad werkt.

Spoiler alert. Ze hebben allemaal gelijk. Want wat we met deze coronacrisis meemaken, is beyond everything. Een crisis zonder weerga, de grootste sinds WO II. En dan kun je twee dingen doen: roepen dat het anders moet en de crisis zien als ultieme bewijs van je eigen grote gelijk. Of je kan je verantwoordelijkheid nemen en al die ogenschijnlijke tegenstellingen met elkaar verbinden om samen de toekomst te maken.

Wij kiezen voor het tweede. Want ook in de politiek mag het geen business as usual zijn. Op een moment dat de politiek mensen vraagt om zichzelf te overstijgen, dan moet de politiek dat in de eerste plaats ook zelf doen. Het gaat niet om ons gelijk, maar wel om een betere toekomst voor iedereen.

Daarom willen we vandaag een aantal pistes aanreiken om (1) ogenschijnlijk traditionele (en vaak verouderde) tegenstellingen en belangen te overbruggen, (2) samen uit deze crisis te geraken en (3) straks iedereen erop vooruit te doen gaan.

We gaan de komende jaren samen een nieuw huis moeten bouwen. Over de kleur van de badkamer en de tegels van het terras gaan we later spreken, maar de komende maanden zijn cruciaal om de fundering stevig te leggen.

Daarom moeten we de komende tijd een paar duidelijke afspraken maken over de fundamenten van die nieuwe samenleving. Zodat iedereen weet waar hij aan toe is. Zodat iedereen weet wat we van elkaar mogen verwachten. Zodat we in onderling vertrouwen samen kunnen bouwen aan de toekomst.

Daarom stellen we een NEW SOCIAL DEAL voor, gebouwd rond drie grote afspraken:

  1. INVESTEREN OM SAMEN VOORUIT TE GAAN
  2. RENDEMENT VOOR IEDEREEN DIE MEE BOUWT
  3. FISCAAL PACT: ELK ZIJN DEEL IS NIKS TE VEEL

CONTEXT VOOR DEZE NEW SOCIAL DEAL

We bevinden ons in de grootste crisis voor de volksgezondheid en de economie sinds WOII. Vandaag doen we alles wat nodig is om levens te redden en de volksgezondheid te vrijwaren, met inbegrip van het stilleggen van een groot deel van de economie. Om te vermijden dat de tijdelijke sluiting van de economie tot structurele schade zou leiden doen we alles om te vermijden dat ondernemingen failliet gaan en jobs verloren gaan, en ondersteunen we de koopkracht van de gezinnen. De kost van die crisisinterventies loopt in de miljarden. Een voorzichtige schatting van alleen al die rechtstreekse kost loopt op tot circa 10 miljard euro.

Tabel 1: belangrijkste crisismaatregelen (in miljard euro)

*Dit is een projectie op basis van de meest recente gegevens betreffende de duur van de maatregelen, en de cijfers vrijgegeven door de verantwoordelijke ministers tot 29 april, waarbij enkel de meest significante bijkomende uitgaven worden weergegeven. De recente schattingen van de extra uitgaven lopen uiteen tussen 5,37 miljard euro (HRF) en 10,2 miljard euro (Min. De Croo, 28/04), waarbij het cijfer van de HRF geen rekening houdt met de overbruggingsrechten voor zelfstandigen en zich baseert op een schatting met betrekking tot de tijdelijke werkloosheid van in totaal slechts 597 miljoen euro.

Het economische leven weer op gang brengen zonder de volksgezondheid in gevaar te brengen zou wel eens een werk van langere adem kunnen zijn. De overheid zal mogelijk nog meer inspanningen moeten doen om structurele schade aan de economie te beperken, ook nadat de lockdown stelselmatig wordt versoepeld.

Eens de economische pauzeknop helemaal uit kan zonder gevaar voor de volksgezondheid, kunnen we ons geconfronteerd zien met een budgettair tekort van het niveau van de jaren ‘80, een overheidsschuld van het niveau van de jaren 90, en een (hopelijk zo min mogelijk) beschadigde economie. De budgettaire uitdaging is dan ook groter dan het afbetalen van de bijkomende schuld als gevolg van de directe crisismaatregelen.

Tabel 2: prognoses 2020 begrotingstekort en BBP-groei pre-corona (10/03) en tijdens corona, (27 maart tot eind april)

Bovendien staan we voor grote uitdagingen zoals toenemende ongelijkheid en klimaatverandering en vereisen deze dringend actie. En ook gewenste vooruitgang, zoals de digitale revolutie en de realiteit dat we steeds met meer ouder worden, zorgt naast kansen ook voor uitdagingen inzake sociale bescherming en de financiering ervan.

Een decennium geleden maakten we een financiële crisis van historische proporties mee. De banken werden gered. De prijs werd betaald door gewone bedrijven en werknemers. Zij kregen een kleinere economie en lagere lonen. De investeringen werden massaal teruggeschroefd in de hele EU. Door de bedrijven, omdat hun omzetverwachtingen waren gedaald. Door de overheden, omdat ze zich lieten beheksen door een conservatieve economische visie, die hen ervan overtuigde dat het een goed idee was om in een crisis te besparen. Zo stokte de groei na de crisis. Er is een duidelijk verband tussen de trage groei van de West-Europese economieën en de lage overheidsinvesteringen*. Het besparingsbeleid heeft iedereen armer gemaakt. Die fout mogen beleidsmakers geen tweede keer maken.

*Abiad (ADB), Davide Furceri (IMF and University of Palermo), Petia Topalova (IMF), The macroeconomic effects of public investment: Evidence from advanced economies, Journal of Macroeconomics, Volume 50, 2016, Pages 224-240

Daarom kiezen we ervoor te investeren in plaats van te besparen. Een investeringspush heeft niet alleen een bijzonder groot effect op de economische groei tijdens een crisis (korte termijn), publieke investeringen hebben ook een sterk positief effect op het niveau van het BBP (lange termijn). Op korte termijn is er sprake van positieve vraageffecten, op lange termijn stijgt de productieve capaciteit van de economie. Er is zowel onmiddellijk als op lange termijn een positieve impact op de tewerkstelling.

Die economische groei en jobcreatie hebben we niet alleen nodig om deze crisis te verteren, maar ook om onze economische draagkracht in de toekomst versterken en zo de betaalbaarheid van ons sociaal model te verzekeren. Tegelijk zijn forse investeringen noodzakelijk om de klimaatomslag te realiseren, om luchtvervuiling terug te dringen, in (sociale) huisvesting, in capaciteit voor (ouderen)zorg, in schoolgebouwen, en in onderzoek en ontwikkeling.

De Belgische overheidsinvesteringen zijn bij de laagste van Europa*, het Belgische vermogen bij het grootste. Daarom kiezen we voor een gerichte investeringsboost in plaats van vrijblijvende, contraproductieve subsidies. Dat is de kern van ons investeringsplan. Met de juiste investeringen zorgen we voor relance in de economische crisis, voor duurzame productiviteitsstijging en toekomstige economische groei, én voor de invulling van maatschappelijke en ecologische noden. Economische groei, klimaatomslag, gezondheid en koopkracht gaan dus hand in hand als we de juiste investeringen doen. Een simultane en gecoördineerde expansie in alle EU-lidstaten, rekening houdend met de grootte van de economische terugval, versterkt elkaar. Maar ook als coördinatie onmogelijk blijkt, moeten we handelen. Er is geen alternatief.

*Op dat vlak heeft België een structurele achterstand ten opzichte van de de Noord-Europese topregio’s, maar ook ten opzichte van de buurlanden. Sinds de jaren ‘70 daalden de directe overheidsinvesteringen van 5% naar rond de 2%.

1.1. EEN INVESTERINGSBOOST

Een fiscale stimulus heeft de grootste impact als die gefocust wordt op overheidsinvesteringen. Dit is dus hét moment om een massief investeringsplan voor te bereiden, als het kan samen met de rest van de EU, als het moet unilateraal in België en Vlaanderen. We lopen onze structurele investeringsachterstand in ten opzichte van Europese toplanden als Zweden en Finland en geven een krachtig startschot voor de economische relance. We investeren volop in infrastructuur, energie-efficiëntie en onderzoek & ontwikkeling om onze economie dynamisch, robuust en klimaatneutraal te maken.

sp.a stelt daarom voor om onmiddellijk 6% van het BBP of 29 miljard euro te investeren en om de investeringen permanent met 3% van het BBP te verhogen. Indien we die inspanning 10 jaar aanhouden, komt dit neer op 192 miljard euro. Omdat de rente laag is, net als het niveau van de overheidsinvesteringen en het vertrouwen van private investeerders, worden de extra investeringen het eerste jaar volledig gefinancierd door te lenen.

1.1.1. Klimaatinvesteringen

Om de omslag naar een koolstofarme economie te maken, zijn gerichte investeringen nodig. Investeringen die ervoor zorgen dat de economie beter gaat draaien en tegelijk de broeikasgasemissies terugdringen. In essentie gaat het om investeringen die het energieverbruik terugdringen, en investeringen die de energieproductie verduurzamen.

1.1.1.1. Alle woningen energiezuinig maken

Onze gezinnen verspillen jaarlijks bijna 60 miljard kWh aan energie door gebrekkige isolatie. Dat is 9500 kton CO² te vermijden uitstoot en miljarden te vermijden gezinsuitgaven. Tegelijk ligt het renovatieritme in ons land veel te laag. Alleen via een gecoördineerde en collectieve aanpak kunnen we ons woningpark tegen 2035 klimaatneutraal maken. Een ambitieus renovatieplan zal toelaten onze woningen te renoveren, banen te scheppen en tegelijk de koopkracht van de alleenstaanden en gezinnen te versterken. De komende 15 jaar renoveren en vergroenen we zo jaarlijks de warmte- en energievoorziening van 150.000 woningen. Op deze manier realiseren we voor ons volledige woningpark, zowat 2,5 miljoen woningen, in 2035 een netto nuluitstoot*. Naast de private gezinswoningen investeren we in de versnelde renovatie van onze sociale woningen, scholen en andere overheidsgebouwen.

1.1.1.2. Shift naar koolstofneutrale energievoorziening

We willen de ontwikkeling van duurzame energie versnellen om zo het aandeel alternatieve energie in de Belgische energiemix te vergroten. Met gerichte investeringen versnellen we de verdere ontwikkeling van intelligente oplossingen die het pad effenen voor een duurzaam energiesysteem. Investeringen in slimme netwerken en opslagtechnieken faciliteren hernieuwbare energie. We investeren in warmtenetten waar dat de gepaste oplossing is.

*De investeringsimpuls bedraagt 6 miljard euro per jaar, de prefinanciering gaat via de netbeheerders en de terugbetaling via de verlaagde factuur van de gezinnen.

1.1.2. Mobiliteitsinvesteringen

De files kosten onze bedrijven volgens het VBO bijna 10 miljard euro per jaar. En 64% van de in België gevestigde investeerders zegt dat de files een negatieve impact hebben op hun investeringsbeslissingen. Dat vergt investeringen in duurzame mobiliteits-alternatieven, die ervoor zorgen dat je niet per se een eigen auto nodig hebt om snel en eenvoudig op je werk te geraken. Maar ook het potentieel van telewerk maximaal benutten zodat we ons met veel meer veel minder moeten verplaatsen en meer werken zonder op het werk te moeten geraken.

1.1.2.1. Stipt, betaalbaar en comfortabel openbaar vervoer

We investeren in de eerste plaats in openbaar vervoer. We trekken de investeringsbudgetten op om te zorgen voor een stipt, kwaliteitsvol en toegankelijk aanbod van bus en tram. Ook bij NMBS en Infrabel verhogen we fors de dotaties. Daarmee kunnen we het aloude probleem van de slechte stiptheid verbeteren. De treinvloot van NMBS is enorm verouderd en toe aan vernieuwing. We versnellen de aankoop van nieuw rollend materiaal en investeren in extra capaciteit. Daarbij dienen de werkingsbudgetten mee te evolueren.

1.1.2.2. Verdubbeling van het goederenvervoer op het spoor

Het Planbureau voorspelt in België een groei van 40% van het goederenvervoer tegen 2030. In de huidige omstandigheden van een oververzadigd wegennet, waarbij het vrachtvervoer over de weg al 74% van het aandeel inneemt, is het noodzakelijk om dit op te vangen via het spoor. Om meer vrachtwagens van de weg te halen, investeren we fors extra in goederenvervoer per spoor en zorgen zo snel mogelijk voor een verdubbeling van het aandeel goederenvervoer per spoor.

1.1.2.3. Nieuwe mobiliteit

Wat de staat van onze fietspaden betreft, hebben we in Vlaanderen nog een lange weg te gaan. Door jaarlijks 500 miljoen euro te investeren in fietsinfrastructuur willen wij die inhaalbeweging inzetten. Daarnaast investeren we als overheid ook in andere vormen van duurzame mobiliteit. Dat doen we door verder in te zetten op de elektrificatie van ons wagenpark, ondersteund door voldoende laadpalen.

1.1.3. Investeren in innovatie

Investeren in onderzoek en ontwikkeling is essentieel om de productiviteit aan te stuwen en de economie van de toekomst vorm te geven. Daarbij investeren we gericht, met een focus op strategische sectoren, en op basis van objectieve criteria. De omzetting van O&O-uitgaven naar productiviteitswinsten is daarbij een duidelijk zwaartepunt. We verhogen de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling met 0,5% BBP om deze structureel tot boven de 3% te krijgen. Verder moderniseren we de onderwijsinfrastructuur. We investeren 5 miljard euro over 10 jaar, waarmee de achterstand qua moderne schoolgebouwen volledig wordt ingehaald.

1.1.4. Investeren in zorginfrastructuur en sociale woningen

Om de vergrijzing op te vangen voorzien we 2,5 miljard euro extra investeringen in ouderenzorg gespreid over 10 jaar. Hiermee kunnen we het huidig tekort aan Vlaamse wzc-plaatsen van 22.000 wegwerken. Daarbovenop zijn ook grote zorgnoden in de brede welzijnssector zoals de begeleiding van personen met een handicap, kinderopvang, begeleid zelfstandig wonen, ... In die brede welzijnssectoren voorzien we ook 2,5 miljard euro extra investeringen, zodat het totaal extra investeringsbedrag in de zorg voorzien wordt op 5 miljard euro. We wensen de objectieven voor sociale woningbouw van steden en gemeenten aan te scherpen, dit past binnen een plan voor de bouw van 100.000 nieuwe sociale woningen om de wachtlijsten weg te werken. Hiervoor voorzien we 12 miljard euro.

1.1.5. Investeren in digitalisering

Investeren in een ultrasnel vezelnetwerk voor digitale communicatie ter vervanging van koper- en coaxkabels kan de snelheid van datatransmissie verhogen tot meer dan 100 Mbps en is een hefboom om van Vlaanderen een innovatieve digitale hub te maken. We voorzien 5 miljard euro extra investeringen in dit domein.

1.1.6. Financiering

We pleiten ervoor om de investeringen op korte termijn volledig te financieren door het opnemen van schulden. Dat is niet enkel wenselijk, dat is absoluut noodzakelijk. We zitten in een enorme crisis waarin ondernemingen en burgers massaal investeringen en consumptie uitstellen, wat een vicieuze cirkel op gang brengt: de uitgaven van de ene zijn immers de inkomsten van de ander. Als burgers en bedrijven weinig willen of kunnen uitgeven, moet er iemand kapitaal opnemen en er productieve investeringen mee doen. Alleen de overheid heeft de capaciteit en het sturend vermogen om de cirkel te breken en opnieuw vertrouwen te creëren.

Om op langere termijn de investeringsgraad permanent te verhogen worden ook andere financieringsinstrumenten in stelling gebracht. Van Belfius maken we een echte publieke investeringsbank. Via de heringevoerde volkslening activeren we een deel van de 260 miljard euro aan spaardeposito's. Zo kunnen burgers met hun spaargeld bijdragen aan de versterking van onze economie, en deelnemen aan het rendement in de toekomst.

Om eindelijk te kunnen investeren in de toekomst, moet ook het Europees begrotingskader mee evolueren. De ontsnappingsclausule binnen het Stabiliteits- en Groeipact werd geactiveerd, waardoor de deficitregels in het kader van de coronacrisis niet langer gelden. De lidstaten mogen hun begrotingsdeficit boven de 3% laten stijgen in functie van de gezondheidsuitgaven en de noodlijdende economie. Dat is goed zo. Maar als de crisis is afgelopen, staan we weer voor het blok.

We pleiten voor een terugkeer naar de ‘gouden regel’: voor evaluatie van het overheidstekort wordt geen rekening gehouden met kosten gedaan in het kader van investeringen. Het is immers opportuun om investeringen op de lange termijn met schulden te financieren. Het is logisch dat we gaan lenen om nieuwe schoolgebouwen te zetten, een moderne spoorinfrastructuur te bouwen en een duurzame energie-infrastructuur aan te leggen. Zulke investeringen vergroten immers de capaciteit van de economie van de toekomst.

We hebben ook nieuwe afschrijvingsregels nodig. Dat klinkt als een abstracte, technische overweging, maar het is van levensbelang om te mógen investeren in de toekomst. Als bedrijven investeren, kunnen ze de investeringen over meerdere jaren afschrijven: zo kunnen de kosten gespreid worden, simultaan met de opbrengsten. In de Europese Unie moeten investeringen volgens de huidige Europese regels onmiddellijk en volledig in hetzelfde jaar worden geboekt. Dit heeft een sterk ontradend effect op grote investeringsprojecten.

Tenslotte hervormen we het Europese Semester, zodat het, naast de macro-economische doelstellingen inzake overheidsschuld en begrotingstekort ook bindende doelstellingen aangaande sociale en ecologische parameters bevat. Dit plaatst de 3 pijlers van duurzame ontwikkeling: ‘people, planet, prosperity’ op een gelijk niveau. Deze bindende set wordt dan verder aangevuld met niet-bindende doelstellingen, gebundeld in een Sociaal en Duurzaamheids-scorebord.

Het macro-economische effect van publieke investeringen

Onderzoeken die het macro-economische effect van publieke investeringen pogen vast te stellen, observeren dat zowel de economische groei op korte termijn wordt aangejaagd, als dat op lange termijn de capaciteit van de economie wordt verhoogd, waardoor het BBP structureel hoger wordt. Dit structureel effect is het hoogst wanneer wordt geïnvesteerd in publieke basisinfrastructuur en hangt af van de elasticiteit van het BBP voor de toename van publiek kapitaal. Een toename van de publieke investeringen zorgt verder voor een gelijktijdige verhoging van de private investeringen en een verlaging van de werkloosheid.

Verschillende factoren determineren het macro-economische effect van publieke investeringen. Als de economie niet op capaciteit produceert en er sprake is van monetaire accommodatie, zijn de positieve vraageffecten groter. Publieke investeringen zijn ook effectiever in het verhogen van de output als zij worden gefinancierd door het uitgeven van schuld. Deze omgevingsfactoren wijzen allemaal in de richting van de opportuniteit van een significante investeringspush.

Het effect van een verhoging van de uitgaven op de economische groei wordt gevat door de zgn. fiscale multiplicator. Na het epicentrum van de crisis werd snel duidelijk dat de multiplicator in de crisis een stuk hoger was dan de standaard elasticiteit. Blanchard (2014) concludeert dat de ex post multiplicatoren boven de 1 moeten hebben gelegen, i.e. het effect op de groei per euro was groter dan die euro.

In de huidige situatie, in de context van een recessie die vele malen dieper is als tijdens de Eurozonecrisis, is het daarom conservatief om te veronderstellen dat de fiscale multiplicator (van een algemene uitgavenverhoging) boven de 1 zal liggen. Op basis van de empirische observaties is het eveneens redelijk dat de multiplicator van de overheidsinvesteringen als deel van die uitgavenverhoging een stuk hoger zullen liggen. Abiad et al. (2015) observeren op korte termijn een de multiplicator van 1,5, die op middellange termijn oploopt tot 3. Dit impliceert dat een investeringsschok van 6% van het BBP de economie met 9% zal doen groeien in datzelfde jaar. We stellen een onmiddellijke schuldgefinancierde schok van 6% in jaar 1 voor, naast een permanente verhoging van 3% over tien jaar, waarmee we de kloof met de topinvesteringsregio’s dichtrijden. Door fors te investeren redden en creëren we meer dan 190.000 extra jobs. Zie het indicatief traject in onderstaande tabel.

1.2. EEN PRODUCTIVITEITSBOOST

De productiviteitsgroei in België vertraagt trendmatig, en ze is bovendien minder gunstig dan in andere geavanceerde economieën. Onze productiviteitsgroei daalde onder de Zweedse regering naar 0,5% en stagneert volledig in 2020.

De overheid moet niet alleen investeren, zoals we in het vorige hoofdstuk hebben beschreven, de overheid moet ook hervormen met het oog op de verhoging van de productiviteit. Hogere productiviteit leidt tot hogere economische groei en dus tot een grotere economische draagkracht in de toekomst waarmee we de betaalbaarheid van ons sociaal model verzekeren.

Naast investeringen zijn ook hervormingen noodzakelijk om de productiviteit op te krikken. Door administratieve lasten te verlagen via de vereenvoudiging van onze systemen, zoals de fiscaliteit. Door te moderniseren en als overheid zelf digitaler en eenvoudiger te werken. Maar ook door overbodige regelgeving en ineffectieve uitgaven te schrappen, door te zorgen dat iedereen die kan werken ook werkt, en door van nieuwe werkvormen zoals telewerken het nieuwe normaal te maken. En door te zorgen voor meer en eerlijke concurrentie tussen ondernemingen.

1.2.1. Vereenvoudigen en digitaliseren

Hoe complexer de fiscale regelgeving, hoe hoger de kost voor ondernemingen om de regels na te leven, hoe groter de kost voor de overheid om de regels na te doen leven, en hoe hoger de kost die ontwijking en fraude met zich meebrengt. Ondernemingen en zelfstandigen verliezen jaarlijks meer dan 4 miljard euro aan administratieve lasten alleen al als gevolg van onze complexe fiscale regelgeving.

Door het belastingsysteem te vereenvoudigen en de verwerking te automatiseren kunnen we op termijn voor zelfstandigen en KMO’s een vooringevulde aangifte realiseren. Met een doorgedreven registratiesysteem, maximaal elektronisch betalen, automatische rapportering van derden (financiële instellingen, sociale zekerheid, ...) over de bewegingen op de unieke bankrekening gekoppeld aan het ondernemingsnummer en over de personeelskosten, kan dit perfect. Het ‘Deense model’ toont de weg.

Bij dergelijke maximale transparantie kunnen we de verantwoordelijkheid van de belastingberekening ook volledig bij de administratie leggen. Zo maken we van de fiscus een echte dienstverlener, verminderen we de administratieve last voor ondernemers en geven we meer zekerheid en voorspelbaarheid in de plaats.

1.2.2. Werk voor iedereen die kan werken

Iedereen is het erover eens dat we meer mensen aan het werk moeten krijgen. De werkzaamheidsgraad is te laag in ons land. Maar er is een mismatch tussen de vereisten van de openstaande vacatures en de kennis en vaardigheden van werkzoekenden. Enerzijds komen we meer en meer handen te kort om de vacatures in te vullen (kraptes op de arbeidsmarkt) maar tegelijk kijken we aan tegen een pak mensen die langer dan een jaar of zelfs langer op zoek zijn naar een job, verspillen we nog steeds teveel de talenten van landgenoten met een migratieachtergrond en oudere werknemers, die amper kansen krijgen op de arbeidsmarkt. Intussen verhoogt de werkdruk op steeds dezelfde mensen en vallen meer en meer mensen uit. De uitgaven sociale zekerheid voor langdurig zieken zijn sinds enkele jaren hoger dan voor werkloosheid.

We moeten ervoor zorgen dat minder mensen uitvallen. Laat ons het werk zo organiseren dat we voorkomen dat mensen, zelfs op jonge leeftijd, moeten afhaken. Bedrijven die daaraan willen werken verdienen ondersteuning, die moeten we met raad en daad bijstaan zodat ze resultaat kunnen boeken. Verder voeren we 1 time-outrekening in die het huidige bos aan verlofvormen - waar niemand nog aan uitraakt - bundelt. Bij de start van de loopbaan bouwt wie werkt krediet op. Dat krediet neemt wie werkt op om de reden die hij/zij zelf wil en wanneer hij wil.

Daarnaast moeten we ervoor zorgen dat diegenen die toch zijn uitgevallen, opnieuw aan de slag kunnen. Langdurig zieken opnieuw op de arbeidsmarkt integreren, los je niet op met werkgevers vrij spel te geven en werknemers - die niks liever willen dan weer aan de slag te gaan - te stigmatiseren. Wie na ziekte weer aan de slag wil, maar dat enkel kan met aangepast werk, moet daartoe steeds ernstige kansen krijgen. De werkgever moet dan ook zwart op wit aantonen dat redelijke aanpassingen - om te voorzien in aangepast werk - onhaalbaar zijn. Grote ondernemingen waar de burn-out-cijfers of letsel-aandoeningen de pan uitswingen, maar geen degelijk preventiebeleid voeren, moeten een responsabiliseringsbijdrage betalen.

Tenslotte moeten we investeren in opleiding en werk van zij die nu nog te ver van de arbeidsmarkt staan. Met de invoering van ‘basisbanen’ zorgen we voor ervaring en doorstroming in plaats van mensen jaren in inactiviteit te laten, we investeren meer in opleiding voor kansengroepen (=55-plussers, laaggeschoolden, mensen met een handicap of migratie-achtergrond) in plaats van minder, en we werken discriminatie op basis van leeftijd, geslacht en afkomst weg met afdwingbare regels.

1.2.3. Telewerk: van gunst naar recht

De gezondheidscrisis heeft organisaties massaal doen overschakelen op thuis- of telewerk. Voor veel werknemers en werkgevers was het een eerste kennismaking met deze vorm van werken. Organisaties hebben (noodgedwongen) op grote schaal technologische en sociale innovaties doorgevoerd om telewerk te faciliteren.

Ondanks het feit dat ons telewerk potentieel hoger ligt dan in de ons omringende landen, telewerken we relatief weinig. Er is dus een groot onbenut potentieel. Telewerk is niet zaligmakend, maar onder de juiste voorwaarden biedt het een belangrijk potentieel om de productiviteit te verhogen, de levenskwaliteit te verbeteren en het mobiliteitsprobleem en luchtvervuiling te verminderen.

In 2018 werden al 6,7% pendelkilometers vermeden, verloren tijd die nu al naar meer vrije tijd en meer werk gaat. Ook de impact van telewerk op mobiliteit en de fileproblematiek is reëel. Als we het potentieel aan telewerk activeren en deze groep minimaal 1 dag per week aan thuiswerk zou doen, kan het aantal vermeden kilometers voor woon-werk verkeer oplopen tot bijna 17%. Kilometers die bijna allemaal tijdens de spits worden afgelegd.

Door van telewerk een recht te maken voor werknemers in plaats van een gunst van de werkgever, willen we het aantal thuiswerkdagen in ons land fors verhogen. Zo kunnen we de gedane investeringen en het maatschappelijk potentieel van telewerk ten volle benutten, met een positief effect op de mobiliteit, luchtkwaliteit en productiviteit in ons land.

1.2.4. Meer concurrentie tussen ondernemingen

Gezonde concurrentie tussen ondernemingen is goed voor de productiviteitsgroei, lagere prijzen en meer koopkracht. We willen dan ook gezonde markten, waarin meerdere spelers elkaar scherp houden. Dat is momenteel niet het geval, zeker in de energie- en telecomsector. Belgen betalen te veel voor hun telefoonrekening en voor hun mobiel internet, maar ook voor notariële aktes of boekhoudkundig en juridisch advies.

Daarom willen we meer slagkracht geven aan de Belgische mededingingsautoriteit (BMA). De BMA vervolgt kartels en misbruiken van machtsposities en strijdt tegen concurrentievervalsing. Maar in vergelijking met de rest van Europa is de BMA ernstig onderbemand. De personeelsbezetting zou moeten verdrievoudigen om op het niveau van Nederland te komen. De BMA zou ook betrokken moeten worden bij het uitwerken van pro-concurrentiële regelgeving en bij concurrentie impact-assessments van nieuwe wetten en regelgeving.

Daarnaast breken we de markt van de beschermde juridische beroepen en cijferberoepen open. Het gaat onder meer over notarissen en fiscale adviseurs. Deze beroepen zijn een stuk meer afgeschermd van concurrentie dan in onze buurlanden. Het gaat hierbij niet om een deregulering van diplomavereisten of sociale dumping: de landen die het meeste concurrentie kennen zijn Zweden, Denemarken en Finland. Er blijkt ook geen band te zijn tussen meer regulering en betere kwaliteit. We breken de administratieve barrières en wettelijk geregelde prijzen af die de concurrentie beperken, de marges opvoeren en de prijzen voor gezinnen en ondernemingen artificieel de hoogte injagen. Door de regulering van deze beroepen tot onder het EU-gemiddelde te brengen ligt de productiviteit op termijn 0,3% hoger, terwijl het BBP structureel 0,4% hoger ligt.

De afgelopen weken en maanden hebben we meer dan ooit gezien wie de economie en de samenleving echt doet draaien: zorg- en verplegend personeel, onthaalouders, schoonmakers, postbodes en pakketjesbezorgers, vuilnisophalers, (vrachtwagen)chauffeurs, welzijnswerkers, havenarbeiders, winkelbedienden, politiemensen, ... Maar evengoed zelfstandigen die zichzelf heruitvinden, freelancers die creatief zijn om toch hun diensten te blijven aanleveren of ondernemers die er alles aan doen om jobs te redden. Het zijn die werkende mensen die essentieel zijn voor onze economie, die ervoor gezorgd hebben dat ons land niet helemaal is stilgevallen. Velen van hen werken tegen te lage lonen en te slechte arbeidsvoorwaarden, of hebben niet de sociale bescherming die ze verdienen. Als we samen investeren in de welvaart van morgen, dan moet het rendement van die investeringen gaan iedereen die mee bouwt. Rendement in de vorm van koopkracht, goed draaiende publieke diensten en een sterke sociale bescherming.

2.1. RENDEMENT IN DE VORM VAN KOOPKRACHT

We hebben de afgelopen weken en maanden meer dan ooit gezien wie de economie echt doet draaien: zorg- en verplegend personeel, schoonmakers, vuilnisophalers, vrachtwagenchauffeurs, winkelbedienden, politiemensen, … Het zijn deze werkende mensen die essentieel zijn voor onze economie, die ervoor zorgen dat ons land niet helemaal is stilgevallen. Velen van hen werken tegen te lage lonen en te slechte arbeidsvoorwaarden. Meer algemeen wordt de welvaart die we allemaal samen in België creëren, steeds minder rechtvaardig verdeeld tussen enerzijds zij die werken en anderzijds zij die bedrijven in handen hebben. Er gaat een steeds kleiner aandeel van welvaart naar de mensen die werken.

Binnen ondernemingen creëren werknemers en aandeelhouders samen toegevoegde waarde. Die toegevoegde waarde steeg sinds 2014 met 11%. De winst, die uiteindelijk naar de aandeelhouders zal vloeien, steeg met 18%, terwijl de totale verloning van de werknemers met amper 6,8% is toegenomen. De toename van de winsten was de afgelopen jaren dus 2,5 keer hoger dan de toename van de verloning van de werknemers. Dat verschil is groter dan wat we de afgelopen 20 jaar hebben waargenomen*.

Dat moet anders. Werken moet meer lonen. Ervoor zorgen dat werken meer loont is niet alleen rechtvaardig, het versterken van de koopkracht is dé manier om de binnenlandse vraag naar goederen en diensten aan te versterken en zo de economische groei aan te wakkeren. De koopkracht van werkende mensen draagt disproportioneel bij aan de sterkte van onze economie. Terwijl belastingverlagingen voor vennootschappen veelal onrechtstreeks op de spaarrekeningen van aandeelhouders landen, wordt extra koopkracht voor werkende mensen rechtstreeks omgezet in hogere consumptie- en investeringsuitgaven.

*Sinds 1999 is de toename van de winsten 1,5 keer hoger dan de toename van de verloning van de werknemers.

2.1.1. Hogere lonen

We passen de zogenaamde ‘loonnormwet’ aan. Dat is de wet die de evolutie van onze uurloonkost sinds 1996 gelijkmatig laat evolueren met drie buurlanden. We kijken daarbij naar de werkelijke verschillen in loonkost en houden dus rekening met alle subsidies, aftrekken en verlagingen. Uit een recent rapport van de CRB is gebleken dat onze werknemers als gevolg van de huidige restrictieve loonnormwet bijna een procent te weinig loonstijging hebben gekregen. Dat moet worden rechtgezet. Verder maken we de loonnorm opnieuw indicatief, zodat loonafspraken meer dan vandaag kunnen aansluiten bij de werkelijke draagkracht van de ondernemingen of sectoren. Zo kunnen we weer afspraken maken met de sociale partners om de toenemende welvaart en productiviteit weer vertaald te zien in hogere lonen.

Vooral het minimumloon heeft de aansluiting bij de welvaartsgroei gemist. We willen het bedrag van het minimumloon stelselmatig laten stijgen tot een niveau waarop ook het minimumloon een billijke verloning voor geleverd werk is. Dit hebben we vastgelegd op 14 euro per uur, of 2.300 euro op maandbasis. De verantwoordelijkheid voor het betalen van goed loon ligt bij de werkgever. De overheid faciliteert de verhoging van het minimumloon door de werkgeversbijdragen op de sociale zekerheid voor lage lonen verder te verlagen mits er afspraken zijn om tegelijkertijd de bruto uurlonen (stapsgewijs) te verhogen naar 14 euro per uur.

Op Europees niveau moet een kaderakkoord gesloten worden waarbij in alle landen een minimumloon wordt ingevoerd dat tenminste 60% bedraagt van het nationale mediaanloon. Dat is belangrijk om sociale dumping tegen te gaan én om landen op sociaal vlak dichter naar elkaar toe te doen groeien.

2.1.2. Lagere belastingen

Wie werkt zou ook minder belasting moeten betalen. Ons fiscaal systeem moet werken meer belonen. Daarom maken we het belastingsysteem neutraal ten aanzien van de bron van dat inkomen (werk of vermogen) of in welke vorm dat inkomen wordt ontvangen. Inkomen is inkomen. Een euro is een euro. Daarnaast dringen we de fiscale uitgaven terug door een heel bos van aftrekposten af te schaffen of te vervangen door rechtstreekse prijsverlagingen.

De verbreding van de belastbare basis zorgt voor meer inkomsten, omdat wie vandaag niet of te weinig bijdraagt ook wordt gevat. De marge die daaruit voortvloeit gebruiken we om de globale belastingdruk op inkomen voor iedereen te verlagen. De belastingvrije som, het inkomen dat wordt vrijgesteld van belasting, wordt opgetrokken tot minstens 1000 euro per maand.

De basisverbreding zal er vooral voor zorgen dat inkomsten uit vermogen meer bijdragen, en inkomsten uit werk minder. En omdat de verschillende componenten van de basisverbreding ongelijker zijn verdeeld dan het belastbaar inkomen dat al in de basis zit, kan een toename van de progressiviteit worden verwacht.

2.1.3. Goed pensioen

Werken moet lonen. En wie een leven lang werkt, verdient een pensioen waarvan je goed kan leven. Wij stellen een pensioenhervorming voorop die mensen zekerheid biedt op een oude dag zonder financiële zorgen. Minstens 1500 euro voor wie een volledige loopbaan telt, en wie meer werkt verdient meer pensioen. Daarom voeren we een pensioenbonus in. Om te zorgen voor zekere pensioenen is een investering nodig. Politiek is keuzes maken en we kiezen ervoor die investering te doen. Die investering heeft een fors terugverdieneffect en is perfect betaalbaar als we een bijdrage vragen van de hoogste pensioenen.

2.1.4. Menswaardig inkomen voor iedereen

We verhogen de inkomens van de gezinnen en alleenstaanden die leven van een uitkering. Dat doen we via het introduceren van het Menswaardig Inkomen. Het Menswaardig Inkomen is een aanvullende steun op inkomensvervangende uitkeringen zoals het leefloon en biedt mensen garantie op een menswaardig bestaan. We vertrekken daarbij van het referentiebudget dat rekening houdt met de reële inkomsten en uitgaven van mensen en vervolgens wordt berekend wat mensen extra nodig hebben om menswaardig te leven. We ondersteunen de OCMW’s die de referentiebudgetten hanteren door hen federaal een hoger terugbetalingspercentage toe te kennen.

2.2. RENDEMENT IN DE VORM VAN PUBLIEKE DIENSTEN

Met zijn allen betalen we belastingen en daar moet iets tegenover staan: een goed draaiende publieke dienstverlening die toegankelijk en betaalbaar is voor iedereen die er - naar draagkracht - toe bijdraagt. Gebeurt dat niet, dan ondermijnt dat de essentie van het hele systeem. Want een bus die weer maar eens te laat of niet komt, zorg die je niet krijgt omdat je jaren op een wachtlijst staat, of je kind dat niet de ruimte krijgt om zijn talent te ontwikkelen, leidt tot één en dezelfde vraag: waarvoor betaal ik dan? Voor onze bijdrage verwachten we iets en retour. Iets dat werkt. In de vorm van een betaalbaar, efficiënt en comfortabel openbaar vervoer (zie deel 1), maar ook in de vorm van een sterk en robuust gezondheidssysteem dat toegankelijk en betaalbaar is voor iedereen. Net als een sterk onderwijs waarin elk kind telt en alle kansen krijgt om zijn talenten te ontwikkelen.

2.2.1. Investeren in toegankelijke en betaalbare zorg

De huidige gezondheidscrisis toont nogmaals het belang van een sterkte gezondheidszorg aan. Landen die zwaar getroffen zijn zoals Spanje en Italië zijn niet toevallig landen die zwaar hebben bespaard in nasleep van de financiële crisis. De situatie in de Verenigde staten toont dan weer in zijn meest dramatische vorm aan hoe een sterk geprivatiseerde gezondheidszorg en een gebrek aan universele toegang, tot drama’s leidt.

Ook in België was besparen het modewoord in de gezondheidszorg de afgelopen jaren. Na de besparingen van de afgelopen jaren moet de gezondheidszorg terug ademruimte krijgen. Er moet een realistisch groeipad komen dat gedurende de hele legislatuur gerespecteerd wordt. De bijkomende budgetten mogen evenwel niet vrijblijvend aan het budget worden toegevoegd maar moeten ingezet worden om enkele grote hiaten die vandaag onze gezondheidszorg bestaan op te vullen. Daarmee verbreden we de terugbetaling van de eerstelijnspsycholoog, tandzorg, brillen en lenzen en gehoorapparaten. Daarnaast verzekeren we de toegankelijkheid van de gezondheidszorg door het versterken van de maximumfactuur en het wegnemen van de financiële drempels op de eerste lijn.

Naast bijkomende investeringen moeten de bestaande middelen efficiënter ingezet worden om de gezondheidszorg voor te bereiden op de toekomst. We moeten nu echt de shift van ziekenzorg naar preventie zetten en de financieringsstromen moeten samenwerking, kwaliteit en goed gebruik van middelen bevorderen. Uit de aanpak van de COVID-crisis kunnen we lessen trekken rond samenwerking, bijvoorbeeld uit de ervaring met de triage- en schakelzorgcentra, en de digitalisering van zorg (teleconsultaties).

2.2.1.1. Samenwerken, meer personeel, meer plaats: geen wachtlijsten meer

De COVID pandemie schetst geen fraai beeld over de bevoegdheidsverdeling in onze gezondheidszorg. De opvolging van de epidemiologische situatie liep aanvankelijk zeer stroef. Voor de gemeenschappen was het bijzonder moeilijk om snel en duidelijk de situatie in hun residentiële zorginstellingen op te volgen. Ook werd pijnlijk duidelijk dat de woonzorgcentra medische expertise ontbreken. In de woonzorgcentra zal er een uitgesproken ‘voor en na corona’ moeten zijn om het vertrouwen te herstellen.

Dit begint met woonzorgcentra sterker te verankeren in hun omgeving en in het zorglandschap. Woonzorgcentra moeten evolueren naar plaatsen waar onze senioren zich echt thuis voelen en meer regie hebben over hun activiteiten en hoe ze hun zorg willen organiseren. Daarvoor is meer en meer gekwalificeerd personeel nodig dat ook goed verloond wordt. Daarnaast moet de capaciteit verhoogd worden: wachtlijsten in woonzorgcentra moeten tot het verleden behoren. Met pooling van zorgpersoneel maken we het mogelijk dat er voor zware zorgnoden onmiddellijk een passend aanbod gevonden kan worden en zorgen we dat er bij toekomstige crisissituaties snel geschakeld kan worden.

Onze ziekenhuizen hebben zich doorheen de pandemie van hun sterkste kant getoond. Met een ongeziene krachttoer hebben ze de capaciteit op intensieve zorgen nagenoeg verdubbeld. In de toekomstige hervorming van het ziekenhuislandschap mag die veerkracht niet ingeperkt worden. De beddenafbouw die men voor ogen had, zal herbekeken moeten worden. We zullen een strategische reactie capaciteit, ongeacht de vorm, achter de hand moeten houden. En als de crisis ons één ding duidelijk maakt is dat onze gezondheidszorg draait op mensen die dagelijks het beste van zichzelf geven. Het dagelijkse applaus moet nu omgezet worden in een blijvend engagement. Reeds voor de crisis was duidelijk dat we in België relatief gezien weinig zorgende handen aan het bed hebben. De investeringen in meer handen aan het bed, opgestart via het zorgpersoneelsfonds, moet nu verankerd worden.

De versnippering van de zorg moeten we terugdringen. Deze crisis toont eens te meer aan dat samenwerking voorop moet staan. Het financieringsmodel in de gezondheidszorg moet de omslag maken van een prestatiemodel naar een model dat samenwerking en kwaliteit bevordert. In de ziekenhuishervorming moet de focus verlegd worden van de rationalisering van de infrastructuur naar creëren van echte zorgnetwerken, waarin ook de woonzorgcentra worden opgenomen. Zorgnetwerken moeten snel kunnen schakelen bij gezondheidscrisissen en kunnen anticiperen op gezondheidsproblemen. Ook op lokaal niveau moeten we naar samenwerkende zorgverstrekkers in de eerste lijn en de thuiszorg die samen de zorg rond de inwoners van hun gemeente/regio opnemen en organiseren. Door associaties met het ziekenhuisnetwerk kunnen we medische expertise in de ouderenzorg binnenbrengen. Véél zorg die vandaag in de ziekenhuizen geboden wordt kan, via ambulantisering, plaatsvinden in de woonomgeving van de senior.

2.2.1.2. Crisisplannen maken en crisisvoorraden veiligstellen

Door het vernietigen van een strategische stock aan beschermingsmateriaal zijn we deze crisis met een achterstand begonnen. Tijdens de crisis waren er belangrijke problemen met de aankoop van materiaal, en blijkt de productiecapaciteit in eigen land opvallend weinig flexibel. De complete afhankelijkheid van landen ver buiten Europa ging ten koste van de veiligheid waarmee onze zorgverstrekkers hun zware taak hebben moeten uitvoeren.

We moeten duidelijke lessen trekken uit deze pandemie. Net zoals elk land - aangesloten bij het Internationaal Energie Agentschap - verplicht is om strategische olievoorraden aan te houden, moeten we dit ook doen voor medisch basismateriaal voor het geval van een acute crisis. De COVID-19-pandemie toont immers aan dat er geen sector strategischer is dan die van de volksgezondheid.

We investeren in betere capaciteiten om snel en doeltreffend te reageren. De kritische processen en materialen brengen we in kaart. Uitgebreide noodplanning moet de kwetsbaarheden van sleutelsectoren aanduiden en schadebeperking maximaliseren door eenduidige strategische coördinatie en leiding die het meeste haalt uit publiek-private samenwerking. De knowhow die gedurende deze crisis werd opgebouwd moet vertaald worden in blijvende processen die ons weerbaarder maken bij een nieuwe crisis.

2.2.1.3. Betaalbare geneesmiddelen voor iedereen: een new deal met de farma

Deze COVID-pandemie vormt een unieke kans om een nieuw recept voor geneesmiddelen uit te proberen waarbij industrie en samenleving samen een zo groot mogelijk belang realiseren. Costa Rica lanceerde in de schoot van de WHO een oproep tot het oprichten van een patent pool. Door het samenbrengen van niet-exclusieve patenten kunnen andere partijen verder werken op eerdere ontdekkingen (bv. in ruil voor een fee). Zo kan men kennis samenbrengen maar ook het systeem van monopolie prijsvorming doorbreken. België moet de oproep van Costa Rica steunen. We moeten vermijden dat behandelingen of vaccins zéér duur worden doordat men ze omhult met patenten.

Met de ervaringen van de ontwikkeling van geneesmiddelen in de strijd tegen deze pandemie kunnen we de basis leggen voor een nieuw geneesmiddelenmodel. Een inzamelactie om het leven van een kind te redden, zoals met baby Pia gebeurde, is hartverwarmend. Maar gezond blijven, dat mag niet afhangen van liefdadigheid. Dat is een grondrecht. Daarom moeten we vandaag ‘affordable pricing’ clausules koppelen aan de onderzoekssteun die we vanuit de overheid geven. Universiteiten en spin-offs moeten voorwaarden koppelen aan de doorontwikkeling van hun ontdekkingen. We moeten ook lessen trekken uit het feit dat er vandaag, ondanks eerder SARS-CoV-1 en MERS-uitbraken, nog geen vaccin voor coronavirussen bestaat. Commercieel was de voltooiing van een vaccin gewoonweg niet interessant. Met een mondiaal, of Europees, innovatiefonds kunnen we als maatschappij zelf prioriteiten leggen (bv. rond antibiotica of alzheimer) en vindingen belonen op een niet-patent basis, of patenten opkopen, waarna we de middelen aan een betaalbare prijs kunnen laten produceren.

Tot slot bleek niet alleen een tekort aan nieuwe geneesmiddelen maar ook aan bestaande producten. Geneesmiddelentekorten komen vaak voor. De redenen hiervoor zijn divers en gaan van overmacht over een tekort aan grondstoffen tot commerciële overwegingen. Ook hierin speelt de afhankelijkheid van productie buiten Europa een rol. Daarom willen we een publieke gestuurde reserve-productiecapaciteit opzetten, idealiter op Europees niveau, om in te kunnen spelen op tekorten aan geneesmiddelen.

2.2.2. Investeren in toegankelijk en betaalbaar onderwijs

De coronacrisis toont aan hoe kwetsbaar ons internationaal zo geprezen onderwijs is. Van de ene dag op de andere verdwenen duizenden kinderen van de radar, stelden we vast dat velen van hen thuis niet over een laptop, internet of zelfs gewoon een eigen studieplek beschikken. Verbaast het iemand dat vele van deze jongeren ergens onderweg in ons onderwijs afhaken?

Wat deze crisis ook bewijst, is de kracht van sterke leerkrachten. Overal gaan leerkrachten aan de slag om leerlingen oefeningen aan te reiken, om op een creatieve manier oude en nieuwe lesinhoud aan te brengen. Het zijn die leerkrachten die zorgen voor toponderwijs, het toponderwijs waar elk kind recht op heeft.

2.2.2.1. We laten geen enkel kind los

Kwaliteitsvolle kinderopvang en sterk kleuteronderwijs zijn de beste garantie op een sterke start in het leven. Elk kind moet kunnen rekenen op een overheid die er alles aandoet om zijn of haar recht op een sterke toekomst te verzekeren. Het is onze plicht om ervoor te zorgen dat elk kind naar school kan, zo vroeg mogelijk. Daarom garanderen we elk kind een plek in de kinderopvang en verlagen we de leerplicht naar 3 jaar. We laten geen kloof vallen tussen de kinderopvang en de kleuterklas maar zorgen net voor een vlotte overgang van kinderopvang naar kleuterklas.

De beste garantie op excellent onderwijs voor elk kind is de lat hoog leggen en de drempels laag. We formuleren dan ook ambitieuze doelen voor alle leerlingen en investeren in lesvormen die er voor zorgen dat elke leerling ook over die lat geraakt. Vandaag laten we te veel leerlingen achter. Te veel leerlingen halen de minimumdoelen niet. Door gedifferentieerd leren op maat - steeds vanuit dezelfde ambitieuze minimumdoelen - geven we hen die het nodig hebben een duwtje in de rug en bieden we extra uitdagingen aan zij voor wie de lat nog hoger mag.

2.2.2.2. Je talenten, niet je centen, bepalen je toekomst

Gelijke kansen voor elk kind, dat moet het uitgangspunt zijn. Onderwijs moet de talenten in elk kind ten volle laten ontwikkelen. Nog te vaak wordt de school- of studiekeuze helaas niet bepaald door de talenten van een leerling of student maar wel door de hoogte van de schoolfactuur. Wanneer een schoolfactuur oploopt, zorgt dit bovendien voor veel stress bij ouders. Wij aanvaarden niet dat er in Vlaanderen goedkope en duurdere scholen zijn, dat er goedkope of duurdere opleidingen zijn en dat dit mee keuze van leerlingen of ouders bepaalt.

Daarom gaan we voluit voor een maximumfactuur in het secundair onderwijs die door extra middelen voor de scholen de schoolfactuur voor alle leerlingen gelijk maakt. Studieoriëntering laten we nog uitsluitend uitgaan van de interesses en talenten van leerlingen doorheen het secundair onderwijs. Ook in het hoger onderwijs mag de financiële draagkracht van ouders geen bepalende factor zijn om wel of niet een diploma te halen. Daarom versterken we de studiebeurzen.

Want iedereen heeft recht op de studiekeuze en de job van je dromen en je talenten.

2.2.2.3. We zorgen voor sterke leerkrachten en directeurs

Leerkrachten en schooldirecteurs maken het verschil. Hun inzet en passie zorgt voor sterk onderwijs. Toch dreigt ons onderwijs in de problemen te komen. Er dreigt immers een tekort aan leerkrachten. En schooldirecties verzuipen onder de planlast en taken die ze niet zouden moeten vervullen. Willen we iedereen het sterk onderwijs bieden dat ze verdienen dan hebben we nood aan meer sterke leerkrachten.

We maken het beroep van leerkracht en directeur opnieuw aantrekkelijker door komaf te maken met de planlast en een sterke verloning te garanderen. In het secundair zetten we jongeren met pedagogische talenten actief aan om een opleiding als leerkracht te starten.

Helaas haken veel jonge leerkrachten ook snel weer af. Het gebrek aan werkzekerheid, het moeten combineren van veel verschillende scholen en het gebrek aan aanvangsbegeleiding doet heel wat startende leerkrachten binnen de 5 jaar kiezen voor een andere job. Door de lerarenloopbaan te hervormen met meer werkzekerheid en meer begeleiding bij de start van de carrière zorgen we ervoor dat jonge leerkrachten hun passie voor het beroep niet verliezen.

Wie na een job in de privé, voor het onderwijs kiest, mag hiervoor niet aan inkomen inboeten. Door alle zij-instroom in het lerarenberoep volwaardige anciënniteit te bieden, maken we de keuze voor het onderwijs aantrekkelijker.

2.2.2.4. We investeren in scholen waar leerlingen en leerkrachten zich thuis voelen

Elke kind heeft recht op een warme schoolomgeving. En plek waar het zich thuis voelt, zodat het in de beste omstandigheden kan leren. Daarom investeren we massaal in meer en betere schoolgebouwen. De noden in infrastructuur zijn nog steeds torenhoog in Vlaanderen en als we elk kind vandaag en morgen een plek op school willen garanderen, moeten we dringend meer investeren in scholenbouw. Met een ambitieus investeringsplan maken we onze scholen klaar voor de toekomst.

Maar een school is veel meer dan stenen. Een school moet in de eerste plaats een plek zijn waar leerlingen zich goed voelen. Met een sterk en inclusief zorgbeleid op school, ondersteund door een professioneel zorgteam in elke school, zorgen we dat alle leerlingen met plezier naar school gaan, dat ze zich er goed voelen en ondersteund worden op maat.

Samen met het welbevinden van leerlingen, investeren we ook extra in het welbevinden van leerkrachten. Door nieuwe werkvormen zoals co- en teamteaching, meer begeleiding op de werkvloer en een sterker HR-beleid zorgen we ervoor dat leerkrachten en directies een carrière lang het beste van zichzelf kunnen geven.

2.3. RENDEMENT IN DE VORM VAN SOCIALE BESCHERMING

Tijdens de crisis is gebleken hoe sterk de roep naar inkomensbescherming vanwege de overheid en de sociale zekerheidsstelsels is op momenten van tegenslag. Ook - en misschien zelfs vooral - vanwege werkenden die er in normale omstandigheden niet echt bij stil staan dat ze geen of weinig sociale bescherming opbouwen. Voor zelfstandigen moest via een snelle en drastische versoepeling van de voorwaarden voor het ‘overbruggingsrecht en de overbruggingspremie’ een soort tijdelijke werkloosheidsverzekering opgericht worden. Kostprijs: meer dan 500 miljoen euro per maand.

Verder werd duidelijk hoeveel kunst en vliegwerk nodig was om mensen met (opeenvolgende) korte uitzendcontracten, tijdelijke arbeidsovereenkomsten, contracten voor bepaald werk, … in het stelsel van (tijdelijke) werkloosheid te passen. En ook hoe moeilijk het is om voor werkenden die aangewezen zijn op deeltijds werk (terwijl ze graag meer uren zouden presteren) een leefbaar vervangingsinkomen te kunnen bezorgen. Laat ons daaruit lessen trekken naar de toekomst en ervoor zorgen dat iedereen kan genieten van volwaardige sociale bescherming, dat iedereen verzekerd is tegen inkomensverlies.

2.3.1. Iedereen die werkt, verzekeren tegen inkomensverlies

Nieuwe manieren van werken, verdienen dezelfde, robuuste manier van sociale bescherming die gelden voor werknemers in vast dienstverband. Freelancers en platformwerkers (bij platformen zoals Uber en Deliveroo) vandaag zijn zelfstandige medewerkers waar onze huidige arbeidsrechtelijke en sociale bescherming geen antwoord op biedt. In vele gevallen van platformwerk is het zelfs zonneklaar dat het om gedwongen schijnzelfstandigen gaat. Het platform stelt mensen te werk, maar ontspringt zoveel mogelijk de dans: hetzij voor een correct loon, dan wel om correct bij te dragen voor een normaal statuut als werknemer. Het gevolg laat zich raden: hebben ze pech, zijn ze ziek of kunnen ze een tijdje niet werken, dan vallen al die mannen en vrouwen door de mazen van het net. Daarom is het tijd om dat net te dichten. Niet alleen omdat die nieuwe manieren van werken steeds meer ingang vinden, maar gewoon omdat iedereen die werkt dezelfde, deftige sociale bescherming verdient.

  • Platformwerkers: Uber, Deliveroo en anderen moéten de rol opnemen die ze spelen, met name die van werkgever. En dus moeten ze correcte lonen en arbeidsvoorwaarden toepassen en tevens correcte sociale bijdragen betalen voor hun medewerkers. Een sterke wetgeving tegen schijnzelfstandigheid is cruciaal om misbruik aan te pakken. Daarvoor moet de wet op de aard van de arbeidsrelaties worden aangepast en versterkt. Ze moet (1) niet alleen toepasselijk gemaakt worden op àlle arbeidssectoren, maar (2) de socio-economische werkelijkheid moet bepalend zijn voor de kwalificatie van de samenwerkingsovereenkomst: in loondienst of als zelfstandige.
  • Freelancers: daarnaast heb je ook een grote groep mensen die aan hun werk wél een eigen accent en uniciteit geven. Zij voelen zich écht 'zelfstandige' in het product en de dienst die ze aanleveren. Freelancers hebben zeggenschap over de prijs, de tijd en energie die ze in hun werk steken. Maar ook zij zijn dikwijls afhankelijk van één of enkele opdrachtgevers. En als die hen plots laten vallen, dan hebben ze geen inkomen. We zorgen ervoor dat ook freelancers de nodige zekerheid en bescherming krijgen, net zoals elke werknemer. Daarvoor creëren we geen extra sociaal zekerheidsstatuut, maar zorgen ervoor dat een huidig statuut - dat het best past bij hun situatie - voor hen toegankelijk en toepasbaar wordt. Een instantie neemt voor hen de rol van sociale zekerheidswerkgever op (net zoals voor kunstenaars gebeurde). Die coördineert dan de betaling van hun bijdragen aan het sociale zekerheidsstelsel. Op die manier hebben ook freelancers zekerheid van inkomen als ze een tijdje geen opdrachten meer hebben, of niet kunnen werken wegens ziekte of een burn-out.

2.3.2. Sociale zekerheid is altijd gefinancierd, wat ook gebeurt

Vandaag leven we steeds met meer langer. Gelukkig maar. Maar uiteraard verhoogt dat de druk op ziekenfondsen en sociale instellingen. Precies daarom werd meer dan 10 jaar terug een dam gebouwd om de financiële impact te matigen, zodat inkomsten en uitgaven in evenwicht blijven. Niet toevallig hebben we dat de evenwichtsdotatie genoemd. Anders gezegd: als de toenemende vergrijzing de zorgnood doet stijgen, of meer mensen met pensioen gaan, staat de overheid garant. Altijd. Ook als de inkomsten tegenvallen.

Maar sinds de passage van de vorige regering is die evenwichtsdotatie straks verleden tijd. De toenmalige Zweedse coalitie verkocht de schrapping als een noodzaak. “Voor meer transparantie in het geld dat naar de sociale zekerheid vloeit” of met de riedel dat “we dat zo niet kunnen blijven betalen.” Op zich is daar iets voor te zeggen. Tenminste, als je vindt dat een deftig pensioen, of betaalbare en kwalitatieve gezondheidszorg niet langer de hoofdprioriteit van een overheid moet zijn. Dan is zo’n evenwichtsdotatie inderdaad ballast, als de inkomsten tegenvallen.

De gevolgen van de schrapping van de evenwichtsdotatie zijn niet min. Want het betekent dat niet langer de objectieve noden en behoeften om iedereen te beschermen straks het uitzicht van de sociale zekerheid bepalen, maar wel de mate waarin de sociale zekerheid zelf bijdraagt tot onze overheidsfinanciën. Concreet: wat onder de radar gebeurde de voorbije jaren - voor honderden miljoenen besparingen in de gezondheidszorg omdat de minister van Financiën ontvangsten verkeerd raamde - dreigt door de schrapping van de evenwichtsdotatie nu elk jaar te gebeuren.

Daar maken we komaf mee. De sociale zekerheid moet opnieuw een verzekering worden waarin mensen geloven en waarbij ze zich zeker voelen. Daarom moet de financiering van de sociale bescherming altijd verzekerd zijn. We draaien het perspectief dus om: de overheid moet de garantie bieden dat de sociale behoeften gefinancierd zijn.

De sociale (objectieve) behoeften moeten opnieuw het uitgangspunt zijn.

Hoe?

  1. De gederfde inkomsten door verminderingen van de sociale bijdragen (waaronder de taxshift) moeten integraal en correct gedekt zijn door alternatieve financiering. De uitdagingen die gepaard gaan met de veroudering van onze bevolking op het vlak van uitgaven voor pensioenen en gezondheidszorgen kunnen immers niet gedekt worden door het ‘normale’ niveau van sociale bijdragen. En een verhoging van de bijdragen op arbeid dreigt onze loonkostencompetiviteit in gevaar te brengen. De alternatieve financiering versterken we via een structurele dotatie aan de sociale zekerheid vanuit de vennootschapsbelasting van 2 miljard euro ter aanvulling van de bestaande alternatieve financiering.
  2. Zoals ook werd gesteld door de Academische commissie voor de pensioenen, zal een groter gedeelte van de financiering van de sociale bescherming moeten komen uit algemene middelen. Daarom moet de vergrijzingscoëfficiënt van de overheidsdotatie geactiveerd worden. Volgens de Vergrijzingscommissie zullen uitgaven voor de sociale zekerheid tussen 2019 en 2024 met 1,1% van het BBP toenemen. Aan de Vergrijzingscommissie wordt de opdracht gegeven om de wenselijke ‘waarde’ te bepalen van de vergrijzingscoëfficiënt voor de jaren 2020 tot 2024. En zal deze effectief worden toegepast op de overheidsdotatie.
  3. Als sluitstuk pleiten we voor een wettelijk gegarandeerde en onvoorwaardelijke evenwichtsdotatie om te verzekeren dat de financiering van de sociale zekerheid altijd verzekerd is.

2.3.3. Europese herverzekering van werkloosheidsverzekering

Tenslotte is weer eens gebleken dat het opvangen van de sociale gevolgen (en de impact op de inkomens van de huishoudens) van economische schokken best gespreid wordt op een zo hoog mogelijk niveau. Een algemene Europese herverzekering van werkloosheidsverzekeringen die landen van de eurozone in crisistijd moet bijspringen is dan ook aangewezen. De effecten van massale crisiswerkloosheid in één of meerdere landen vloeien immers door intra-EU handel over naar andere landen. België heeft hier als één van de exportlanden bovendien een bijzonder belang bij. Hoe sneller een land in crisis een doorstart kan maken, hoe meer baat de hele eurozone hierbij heeft. Solidariteit op vlak van sociale stelsels in tijden van crises zijn de beste Europese schokdemper. Het eerste initiatief van de Europese Commissie die deze logica volgt, SURE (Unemployment Risks in an Emergency), dat landen tijdens de coronacrisis moet bijstaan, wijst op de noodzaak aan deze solidaire inkomensondersteuning en moet veralgemeend en uitgebreid worden naar een volwaardige Europese werkloosheidsherverzekering voor crisistijden. Wij kiezen voor een Europese Unie waarin sociale vooruitgang centraal staat.

3.1. EERLIJKE, EENVOUDIGE EN EFFICIËNTE FISCALITEIT

Het belastingsysteem speelt een cruciale rol in elke moderne economie. Zowat de helft van het nationaal inkomen wordt in ons land via het belastingsysteem gekanaliseerd om te investeren in de gemeenschappelijke noden van de samenleving. De manier waarop we dat belastingsysteem organiseren, heeft een enorme impact op zowel rechtvaardigheid als economische efficiëntie.

Los van de tijdelijke en uitzonderlijke financieringsmaatregelen (zie 3.2 “Uitzonderlijke maatregelen in uitzonderlijke tijden”) moeten ons belastingsysteem niet alleen eerlijker maar ook efficiënter en eenvoudiger maken, precies om onze economie beter te laten draaien voor iedereen. De huidige complexiteit van ons fiscaal systeem zorgt voor onnodige administratieve lasten en wantrouwen, waardoor het risico op fraude en ontwijking vergroot.

Een eerlijk, eenvoudig en efficiënt belastingsysteem is daarom nodig. Een belastingsysteem dat economische groei stimuleert én nieuwe gelijkheid en nieuwe bescherming mogelijk maakt. Een belastingsysteem dat sociale investeringen mogelijk maakt en de sociale bescherming verhoogt. Omdat werken netto meer moet lonen. Omdat KMO’s niet moeten opdraaien voor wat multinationals te weinig betalen. Omdat ook de rendementen van grote financiële vermogens een faire bijdrage moeten leveren.

3.1.1. Hervorming personenbelasting

Voor ons spreekt het vanzelf dat iedereen bijdraagt volgens zijn of haar draagkracht. Alle inkomsten worden progressief belast. Daarbij maken we het belastingsysteem neutraal ten aanzien van de bron van dat inkomen (werk of vermogen) of in welke vorm dat inkomen wordt ontvangen. Ook reële huurinkomsten, inkomsten uit financieel vermogen en meerwaarden op aandelen. Inkomen is inkomen. Een euro is een euro.

Belangrijk bij elk fiscaal systeem is eenvoud. Een hele reeks fiscale uitgaven kunnen we terugdringen door een heel bos van aftrekposten af te schaffen of te vervangen door rechtstreekse prijsverlagingen waar mensen meteen mee gediend zijn. Een voorbeeld: maak kinderopvang meteen goedkoper in plaats van mensen dat te laten inschrijven in hun belastingbrief om zo een deel van de prijs terug te krijgen. Met zo’n hervorming maken we een einde aan decennia fiscale koterijen en privileges die ons belastingsysteem onklaar voor de toekomst heeft gemaakt en het rechtvaardigheidsgevoel heeft aangetast.

De sterke vereenvoudiging op basis van de twee voormelde principes - een euro is een euro + aftrekposten vervangen door rechtstreekse prijsverlaging - zorgt voor een belangrijke verbreding van belastbare basis. De verbreding van de belastbare basis zorgt voor meer inkomsten, omdat wie vandaag niet of te weinig bijdraagt ook wordt gevat. De marge die daaruit voortvloeit gebruiken we om de globale belastingdruk op inkomen voor iedereen te verlagen. De belastingvrije som, het inkomen dat wordt vrijgesteld van belasting, wordt opgetrokken tot minstens 1000 euro per maand.

De basisverbreding zal er vooral voor zorgen dat inkomsten uit vermogen meer bijdragen, en inkomsten uit werk minder. En omdat de verschillende componenten van de basisverbreding ongelijker zijn verdeeld dan het belastbaar inkomen dat al in de basis zit, kan een toename van de progressiviteit worden verwacht.

Een euro is een euro + aftrekposten vervangen door rechtstreekse prijsverlaging + verbreden belastbare basis laten toe de belastingvrije som op werk op te trekken tot minstens 1.000 euro per maand. Die verhoging in centen, en niet in procenten, is behalve eenvoudig ook efficiënt. Het betekent een netto-verhoging voor de lage inkomens, ook voor wie dat inkomen vooral als kleine spaarder verdient, en het betekent meteen ook een compensatie voor de afschaffing van fiscaal gunstige voordelen voor de midden- en hogere inkomens.

De voorgestelde hervorming maakt het systeem niet alleen eerlijker en progressiever, maar maakt ook de belastingbrief een stuk simpeler. Die vereenvoudiging en volledige transparantie via maximale derde-partijrapportering met betrekking tot inkomsten uit vermogen, maken dat op termijn alle werknemers een eenvoudige én vooraf ingevulde aangifte ontvangen.

3.1.2. Hervorming erfbelasting

De huidige erfbelasting is geen rechtvaardige belasting. Vandaag betaal je erfbelasting vanaf de eerste euro. Er is geen belastingvrije som. Tegelijk slagen grote vermogens erin zich zo te organiseren dat ze geen erfbelasting betalen. Dit is het exacte spiegelbeeld van een rechtvaardige erfbelasting.

Een rechtvaardige erfbelasting is noodzakelijk binnen het fiscaal beleid. Erfenissen hebben een zeer belangrijke impact op ongelijkheid. Uit het onderzoek van Thomas Piketty weten we dat vermogen steeds belangrijker wordt. Ook in België is dat zo. De 15% grootste nalatenschappen vertegenwoordigen ruim 65% van de overgedragen vermogens. 75% van alle vermogen in België het gevolg is van erfenissen en schenkingen uit het verleden. En dus: slechts een kwart van het vermogen zelf is opgebouwd door te werken en te sparen.

Als het menens is om ongelijkheid terug te dringen, zonder te raken aan wat mensen door te werken in hun leven bijeen hebben gespaard om na te laten aan wie ze liefhebben, dan moeten we erfbelasting fundamenteel hervormen:

  • Belastingvrijstelling: korf van 250.000 euro: We voeren een hoge belastingvrije som in, zo kan iedereen belastingvrij erven of schenkingen ontvangen tot 250.000 euro. Die belastingvrije som geldt niet per schenking of erfenis, maar over de volledige levensloop. Voor iedereen is er met andere woorden een belastingvrije korf die doorheen de jaren opgevuld kan worden met erfenissen en schenkingen. Eenmaal de korf gevuld is, worden erfenissen en schenkingen progressief belast binnen een progressieve tariefstructuur.
  • Een euro is een euro: Het onderscheid in belasting naargelang wat je erft en van wie je erft is niet rechtvaardig. Dat onderscheid schaffen we af. Alle types van vermogen worden gelijk behandeld, of het nu roerende of onroerende goederen zijn. Het maakt evenmin nog uit van wie je erft of een schenking ontvangt. Voor onroerende goederen en aandelen van familiebedrijven zorgen we voor een regeling voor gespreide betaling om liquiditeitsproblemen te vermijden. Zo hoeft niemand het ouderlijk huis gedwongen te verkopen of het familiebedrijf te liquideren om de erfbelasting te kunnen betalen.

Positieve budgettaire impact. De tarieven van de erfbelasting zijn erg hoog. Tot 55% voor erfenissen die niet in rechte lijn zijn. Daardoor bestaat minstens de perceptie dat de erf- en schenkbelasting ook in het algemeen bijzonder hoog zijn. De vaststelling dat het impliciete belastingtarief, de inkomsten van de erf- en schenkbelasting afgezet tegen de overeenkomstige theoretische belastingbasis, amper 4% bedraagt maakt duidelijk dat de omvang van ontwijking en ontduiking groot is. Een verbreding van de belastbare basis door het sluiten van achterpoortjes en ontwijkingspistes biedt dan ook belangrijke mogelijkheden om de erf- en schenkbelasting te hervormen, inclusief de invoering van een hoge belastingvrije korf en een verlaging van de hoogste belastingtarieven.

3.1.3. Hervorming vennootschapsbelasting

De afgelopen decennia zijn grote bedrijven steeds meer internationaal gaan werken en verplaatst kapitaal zich steeds makkelijker over de grenzen. We moeten meer internationaal samenwerken en betere afspraken maken om de belastingontwijking en belastingontduiking, ook van digitale bedrijven, te vermijden en aan te pakken, anders komen de lasten eenzijdig bij werknemers en KMO’s te liggen. Maar ook unilateraal kunnen en moeten we effectieve maatregelen nemen om onze belastingbasis te beschermen tegen belastingplanning van multinationals. Zo kunnen we het gelijke speelveld tussen KMO’s en multinationals herstellen.

De afgelopen maanden wordt op OESO/G20 niveau gewerkt aan nieuwe internationale afspraken omtrent de belastingheffing van multinationale ondernemingen. Enerzijds worden de afspraken over belastbare aanwezigheid en winsttoerekening herbekeken opdat meer winst toegerekend kan worden aan de landen waar ondernemingen omzet realiseren, zelfs indien de multinationale onderneming in die landen geen fysieke aanwezigheid heeft. Anderzijds wordt er onderhandeld over een effectieve minimumbelasting voor multinationals, die moet voorkomen dat landen de race to the bottom verderzetten. Met een nominaal tarief van 25% in de vennootschapsbelasting zou België aan relatieve concurrentiekracht winnen aangezien de minimumbelasting het verschil kleiner maakt tussen de belasting die ondernemingen in België betalen en de lagere belastingdruk die deze bedrijven mogelijk in landen zouden ondergaan. Nog in de loop van dit jaar zou in dit dossier een doorbraak gerealiseerd moeten worden. België moet hierin een constructieve rol spelen en er, met andere woorden, voor pleiten dat de winst van een multinational in ieder afzonderlijk land onderworpen moet zijn aan tenminste een minimumniveau van belastingheffing.

Intussen moeten we ook unilateraal de Belgische belastingbasis betere beschermen tegen belastingplanning en -shopping door multinationals. De Europese anti-ontwijkingrichtlijn in navolging van het OESO-actieplan tegen winstverschuiving en grondslaguitholling (‘BEPS’) wordt rigoureus en zonder uitzonderingen omgezet. Zo wordt onder meer de algemene antimisbruikbepaling versterkt en wordt de excessieve intrestaftrek echt aan banden gelegd. En we bannen het gebruik van postbusvennootschappen in belastingparadijzen via een strenge wettelijke definitie.

3.1.4. Strijd tegen fraude versterken

Fraude- en misbruikbestrijding worden traditioneel eerder eng geïnterpreteerd. De nadruk ligt te vaak uitsluitend op controles en wat die (moeten) opbrengen. Maar fraude- en misbruikbestrijding gaan over veel meer dan dat. Een aanpak gericht op het voorkomen van frauduleus gedrag en misbruik is minstens even belangrijk. In essentie streeft fraude- en misbruikbestrijding de ‘verwitting’ van de economie na: zwart en grijs worden wit als de fiscale wetgeving correct wordt nageleefd. De opbrengst van zo’n veralgemeende ‘verwitting’ maakt een structurele belastingverlaging mogelijk voor mensen die werken en werk creëren.

Het beleid moet in de eerste plaats leiden tot spontane gedragswijziging. Alleen zo zullen de fiscale en sociale bijdragen structureel en significant toenemen. Alleen zo zullen onterechte sociale uitgaven kunnen worden vermeden. Alleen zo krijgen we meer sociale en fiscale rechtvaardigheid. Wat zo’n gedragsverandering en een preventief beleid aan meer inkomsten en minder uitgaven genereren, is vele keren substantiëler dan de opbrengst van een repressief fraudebeleid.

[Rechtvaardig fraudebeleid] Daarom is het herstel van het fiscaal rechtvaardigheidsgevoel cruciaal. Mensen aanvaarden niet dat multinationals en grote vermogens zelf lijken te bepalen hoeveel belasting ze betalen dankzij constructies, niet zelden via belastingparadijzen, terwijl wie werkt disproportioneel hoog wordt belast op inkomen uit arbeid. Mensen aanvaarden niet dat grote fraude en financiële criminaliteit onvoldoende effectief worden aangepakt, terwijl kleinschalige fraude wel streng wordt bestraft. Het rechtvaardigheidsgevoel wordt zwaar aangetast telkens er in grote zaken minnelijke schikkingen worden getroffen, terwijl kleinschalige fraude tot veroordelingen leidt. Als de rijken en machtigen de dans ontspringen waarom zouden wij dan braaf en correct onze belastingen betalen, vragen velen zich af. Een effectief en fair controle- en sanctiebeleid met focus op grote fraude en de grote spelers is daarom een noodzakelijke en cruciale voorwaarde om de spontane naleving te bevorderen. Niet alleen door het ontradend effect ervan op wie grootschalige fraude overweegt, maar ook door de impact op het rechtvaardigheidsgevoel van de rest van de bevolking.

[Meer transparantie] Transparantie is een bijzonder krachtig wapen tegen fraude en misbruik. Reeds vele jaren wordt de fiscus periodiek en op automatische wijze op de hoogte gebracht van alle relevante inlichtingen betreffende de inkomsten uit arbeid en vervangingsinkomens. Geen zinnig mens overweegt bij het invullen van de belastingbrief om een ander inkomen op te geven dan datgene vermeld op de fiche die de werkgever bezorgde, aangezien iedereen weet dat die fiche ook aan de fiscus werd bezorgd. Het preventieve effect dat uitgaat van deze derde-partijrapportering is bijzonder groot. Op internationaal vlak bestaat die derde-partijrapportering ook met betrekking tot inkomen uit vermogen, maar binnen België is de administratie blind voor die inkomens. Het gebrek aan transparantie over de inkomens uit vermogen verhindert ook een rechtvaardig sociaal beleid omdat inkomensgerelateerde sociale steunmaatregelen te vaak terechtkomen bij mensen die er eigenlijk geen recht op hebben omdat hun officieel inkomen lager is dan hun werkelijke inkomen rekening houdend met het inkomen uit vermogen.

[Betere organisatie] Het afhandelen van grote fraudezaken via de afkoopwet en de fiscale regularisatie wijzen op een structureel falen van het fraudebeleid. Zowel op administratief als gerechtelijk niveau, evenals met het oog op een betere samenwerking tussen beide, dringt een reorganisatie zich op. Onze Justitie dient zo georganiseerd worden dat grote fraudezaken resulteren in een uitspraak door de rechter. Op administratief niveau moet de focus inzake strijd tegen fiscale fraude en misbruik verlegd worden naar de grote vermogens en de multinationals.

[Fraudebestrijding opnieuw op het juiste spoor zetten] Als we fraudebestrijding opnieuw op het juiste spoor willen zetten dan zal de volgende regering van fraudebestrijding opnieuw een prioriteit moeten maken en maatregelen nemen met het oog op een maximale preventieve impact. Het is zaak het onrechtvaardigheidsgevoel drastisch te verminderen door de afkoopwet te stoppen en de focus te leggen op grote fraude en de grote spelers, maar ook door te zorgen voor meer transparantie en dus minder fraudeopportuniteiten. Het sluitstuk van elk effectief fraudebeleid is tenslotte de detectie en sanctionering van de resterende fraude. Om die te verbeteren is een reorganisatie van de fraudediensten noodzakelijk.

3.2. UITZONDERLIJKE MAATREGELEN IN UITZONDERLIJKE TIJDEN

Vandaag doen we alles wat nodig is om levens te redden en de volksgezondheid te vrijwaren, met inbegrip van het stilleggen van een groot deel van de economie. Om te vermijden dat de tijdelijke sluiting van de economie tot structurele schade zou leiden doen we alles om te vermijden dat ondernemingen failliet gaan en jobs verloren gaan, en ondersteunen we de koopkracht van de gezinnen. De kost van die crisisinterventies kosten miljarden. Een voorzichtige schatting van die rechtstreekse kost loopt op tot 10 miljard euro.

De bijkomende impact op de begroting en op de overheidsschuld zal als gevolg van de krimp van de economie de kost van de directe crisisinterventies ruim overtreffen. Het is onzeker hoe groot de impact uiteindelijk zal zijn. Recente schattingen gaan uit van een negatieve begrotingsimpact tot 26 miljard euro en een kost voor de economie tot 40 miljard euro. Het verwachte stevige herstel in 2021 kan deze schade beperken, maar het staat vast dat de budgettaire uitdaging bijzonder groot zal zijn.

Dit is een uitzonderlijke situatie die om bijzondere maatregelen vraagt. Door investeringen en koopkracht te stimuleren en de productiviteit en economische groei op te krikken kunnen we de saneringsinspanning voor de komende jaren beperken. Door intrestlasten op de schuld laag te houden ook. Toch zullen we er niet aan ontkomen ook nieuwe financieringsbronnen te moeten zoeken. Daarbij zullen de sterke schouders de grootste lasten dragen.

We mogen niet toelaten dat de financiële last van de coronacrisis zwaar op de balans van onze gezinnen, bedrijven en overheid weegt. Daarom isoleren de directe kosten van de coronacrisis van de rest van de begroting. Gespreid over 10 jaar financieren we die kost met behulp van buitengewone maatregelen. We stellen voor de voorziene tariefverlaging in de vennootschapsbelasting tijdelijk op te schorten en we voeren de nodige maatregelen in om vennootschapswinsten te belasten in hoofde van grote multinationals die tijdens de crisis hun winst hebben zien toenemen. Daarnaast kan een versterkte effectentaks zorgen voor een faire bijdrage van de grote financiële vermogens.

Tegelijk moeten we ook verzekeren dat overheidssteun niet terecht komt bij ondernemingen die belastingen ontwijken via belastingparadijzen, of dat steun gebruikt wordt om winst uit te keren aan aandeelhouders of bonussen uit te betalen aan het topmanagement.

3.2.1. Solidariteit tussen bedrijven

De economie is gedeeltelijk in een kunstmatige coma gelegd om de verspreiding van het virus in te perken. Vele ondernemingen zijn gesloten, anderen kennen gedeeltelijk omzetverlies en nog andere zijn niet geïmpacteerd of zien hun omzet zelfs toenemen. Maar 1 ding is nu al duidelijk: zelfstandigen en onze KMO’s zijn relatief harder getroffen dan grote ondernemingen.

De crisis moet niet betaald worden door bedrijven die nauwelijks het hoofd boven water houden of voor wie nu het water aan de lippen staat. Daarom is het niet aangewezen om grote ondernemingen - die niet getroffen zijn door de crisis (of er zelfs voordeel uit halen) - nu een belastingverlaging te geven. Toch staat dat te gebeuren, want nog dit jaar wordt het tarief van de vennootschapsbelasting voor grote ondernemingen verder verlaagd naar 25%. Dat is een niet-gefinancierde belastingverlaging die nog werd beslist door de Zweedse regering.

Om de ontsporing van de begroting tegen te gaan én de overheid toe te laten geen inkomsten te verliezen die ze nodig heeft om net nu de felst getroffen ondernemingen financieel te steunen, is het aangewezen die voorziene belastingverlaging naar 25% voor grote ondernemingen uit te stellen. Zo zorgen we voor solidariteit tussen ondernemingen. Solidariteit tussen zij die grotendeels gespaard zijn gebleven door de crisis en zij die (fors) getroffen zijn.

Tegelijk moeten we ervoor zorgen grote internetbedrijven niet aan hun faire bijdrage ontsnappen. Het zijn net die bedrijven die door de veranderende omstandigheden nu nog meer winst maken dan vroeger. Zij zijn het spiegelbeeld van de detailhandel, de restaurants, en cafés die hun omzet zien kelderen en de verliezen opstapelen. Daarom belasten we internetbedrijven - die niet in ons land gevestigd zijn maar hier wel een belangrijke omzet genereren - volgens het basisprincipe ‘belastingen worden betaald waar winst wordt gemaakt’. Dat doen we in de vennootschapsbelasting via een ‘fictieve vaste inrichting’ en op Europees niveau blijven we pleiten we voor een Europese Digitax.

3.2.2. Crisisbelasting op grote vermogens

Het financiële vermogen van de Belgen bedraagt volgens de NBB meer dan 1.400 miljard euro. De rijkste 1% is goed voor 25% van dat financieel vermogen*. Financieel vermogen is daarmee veel ongelijker verdeeld dan inkomen uit werk. Ondanks de (tijdelijke) daling van de beurskoersen moeten de rijkste 1% niet vrezen hun facturen te kunnen betalen aan het einde van de maand. Terwijl vandaag bijna de helft van de huishoudens die als gevolg van de coronacrisis inkomensverlies lijden, een spaarbuffer hebben van minder dan 3 maanden.

Een bijdrage van de grootste vermogens kan worden gerealiseerd door de eerder door de Zweedse regering ingevoerde effectentaks, een belasting op financieel vermogen (exclusief spaarboekjes) boven 500.000 euro, opnieuw in te voeren met een aangepaste en verbrede basis. Voor financiële vermogens hoger dan 1 miljoen euro kan het tarief van 0,15% tijdelijk opgetrokken worden. Het rendement van de vernieuwde effectentaks kan op kruissnelheid geraamd worden op 500 miljoen per jaar, en zo kan over een periode van tien jaar een belangrijk deel van de directe coronafactuur afgelost worden.

*ECB (2016), ‘Estimating the top tail of the wealth distribution’, WP 1907, mei 2016

3.2.3. De rol van Europa: financieringskost beperken

De Europese lidstaten en de Europese centrale bank (ECB) ondernamen actie om de financieringsdruk op de hardst getroffen lidstaten te verlichten. De ECB kondigde op 18 maart het Pandemic asset purchase programma aan, een opkoopprogramma van obligaties ter waarde van 750 miljard. Daarbij kondigt de ECB aan de eigen beperkingen op de opkoop per lidstaat deze keer niet toe te passen. Zo blijft de marktdruk op Italië, Spanje, maar ook België beperkt. Daarnaast werd het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) geactiveerd en leent de Europese investeringsbank tot 200 miljard euro uit aan ondernemingen zonder voorwaarden.

De ECB en de Europese instituties moeten er alles aan doen om de financieringskost van de overheidsschulden van deze landen te beperken. Het grote risico is dat landen met minder fiscale ruimte, zoals Spanje, Italië, maar ook België, geen effectief begrotingsbeleid kunnen voeren om de crisis te lijf te gaan en de economie te relanceren.

Om de financieringsdruk voor de economische relance in de meest getroffen lidstaten beperkt te houden is gemeenschappelijke schuldopname noodzakelijk, onder de vorm van coronabonds of via een ander instrument, zoals een noodfonds of een opgedreven EU-budget. Maar zelfs de solidariteit impliciet in dit instrument zal de schuldenlast verhogen. Wij pleiten ervoor dat het monetair beleid van de ECB versoepelt in de richting van een meer efficiënte aanpak van de crisis, zoals het rechtstreeks financieren van de tekorten die de lidstaten maken om de gezondheidscrisis het hoofd te bieden en de economische relance aan te vuren.